Een partij die in een civiele procedure door een rechter is veroordeeld, kan een executiegeschil starten bij de kort geding rechter om de ten uitvoerlegging/executie van de rechterlijke uitspraak tegen te houden. Dit kan bijvoorbeeld gaan om het tegengaan van een ontruiming, het tegengaan van een overdracht van een onroerende zaak, of het opheffen van een (ten onrechte gelegd) beslag. Zo een executiegeschil speelde zeer recentelijk in een casus voor de rechtbank Zeeland-West- Brabant[1], waarbij een huurder de gedwongen ontruiming van zijn woning heeft kunnen tegenhouden (schorsen), omdat de rechter kort gezegd het belang van de huurder tot behoud van zijn woning, plaatste boven het belang van de verhuurder. De vraag is of de rechter in deze zaak op goede gronden de gedwongen ontruiming heeft mogen schorsen.

Casus Rechtbank Zeeland-West-Brabant

De casus die heeft geleid tot het executiegeschil was als volgt. De huurder huurde van de verhuurder een woning op grond van de Leegstandwet. De huurder stond onder bewind. Op een gegeven moment werden er door de politie in de tuin rondom de woning hennep gerelateerde goederen aangetroffen, waarna de verhuurder de huur opzegde. In de procedure die daarop volgde, vorderde de verhuurder een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst door zijn opzegging rechtsgeldig was beëindigd en dat de huurder (althans de bewindvoerder van de huurder als formele procespartij) de woning zou ontruimen. Deze vorderingen zijn door de rechter toegewezen.

Vervolgens startte de bewindvoerder een executiegeschil, kort gezegd omdat er sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid dan wel dat de opzegging door de verhuurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.  

Executiegeschil

Een executiegeschil slaagt niet zomaar. Een executiegeschil is namelijk geen verkapt rechtsmiddel. De partij die het executiegeschil start, kan dus geen inhoudelijke bezwaren naar voren brengen tegen de uitspraak die aan de executie ten grondslag ligt. Dit is alleen anders als er sprake is van misbruik van bevoegdheid door de partij die de executie wil uitvoeren. Tot 20 december 2019 kon er in beginsel alleen sprake zijn van misbruik van bevoegdheid indien het te executeren vonnis ‘klaarblijkelijk’ berustte op een juridische of feitelijke misslag, of indien na het vonnis – voorgevallen of aan het licht gekomen – feiten een noodtoestand doen ontstaan voor de degene die de executie wil tegengaan.

Is de rechterlijke uitspraak ‘uitvoerbaar bij voorraad’?

Op 20 december 2019 heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen waarin de Hoge Raad zijn eigen eerdere rechtspraak op dit punt heeft heroverwogen.[2] Het ‘nieuwe’ zit hem in de vraag of de eerdere rechterlijke uitspraak, waarbij een veroordeling tegen een partij is uitgesproken, uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en zo ja: of deze uitvoerbaarverklaring door de rechter is gemotiveerd. Als een rechterlijke uitspraak namelijk uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, mag deze uitspraak ten uitvoer worden gelegd, ook al wordt er een rechtsmiddel zoals hoger beroep ingesteld. De Hoge Raad heeft nu aangegeven dat als de vorige rechter de uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet heeft gemotiveerd en er inmiddels een rechtsmiddel is ingesteld of nog kan worden ingesteld, er in het executiegeschil een belangenafweging moet plaatsvinden tussen de belangen van de eiser en de belangen van de gedaagde. Alle feiten en omstandigheden van het geval kunnen daarbij een rol spelen. Dus niet alleen feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de uitspraak van de vorige rechter, maar ook feiten en omstandigheden die al speelden tijdens de procedure bij de vorige rechter.

Rechter heeft juiste maatstaf gehanteerd

Terug naar het executiegeschil bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechter heeft in het executiegeschil geconstateerd dat de huurder inmiddels hoger beroep had ingesteld tegen de uitspraak van de vorige rechter. Ook concludeert de rechter dat er geen sprake is van een kennelijke misslag. Verder constateert de rechter dat de veroordeling tot ontruiming van de woning wel uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, maar dat die beslissing niet is gemotiveerd. De rechter oordeelt daarom dat bij de beoordeling van de schorsingsvordering van de huurder de belangen van partijen moeten worden afgewogen. Uiteindelijk concludeert de rechter dat het belang van de huurder zwaarder weegt dan het belang van de verhuurder. De rechter betrekt in zijn oordeel onder meer dat het hulpverleningstraject dat is ingezet voor de huurder, het voorbereide WSNP-traject en een coach voor diverse praktische zaken, van de baan zal zijn als de huurder zijn woning zou verliezen.

Uit de uitspraak van de rechter blijkt niet duidelijk of deze feiten en omstandigheden pas na de uitspraak van de vorige rechter zich hebben voorgedaan. Maar vermoedelijk niet. Dat zou betekenen dat als de rechter uitspraak had gedaan vóór het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019, de huurder vermoedelijk niet de ontruiming had kunnen tegenhouden. Nu is dat anders. Gezien het feit dat het vonnis van de vorige rechter wel uitvoerbaar bij voorraad was verklaard, maar niet was gemotiveerd, en de huurder inmiddels hoger beroep had ingesteld, heeft de rechter de juiste maatstaf gehanteerd door de belangen van partijen af te wegen. Dit neemt overigens niet weg dat de belangenafweging evengoed ook in het voordeel van de verhuurder had kunnen uitvallen. Maar in deze specifieke casus prevaleert volgens de rechter het belang van de huurder.

Voor vragen of opmerkingen naar aanleiding van dit artikel, kunt u contact opnemen met Irwin Dankoor (tel: 06-55806530 of email: info@dankoorjuridischadvies.nl).


[1] Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 december 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:6013.

[2] Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.